StOKpaardje

Boekbespreking: Bert, mijn jongen

Bert, mijn jongen, door M. Veren, pseudoniem van Marion van der Zwan-Nelck, 1937, uitgeverij G.F. Callenbach, Nijkerk, met bandtekening en illustraties van Reinier Stuurman (1900-1984).
Trefwoord: crisistijd; standsverschil; overlijden.
Genre: christelijke verhalen; gezinsverhalen; maatschappijkritische verhalen; jongensboeken; zondagsschoolboekjes.

Zondagsschoolboekjes. Deze boekjes kregen de kinderen van de zondagsschool uitgereikt met Kerstmis. Of er nog veel zondagsscholen zijn, weet ik niet. Bij de nederlands-hervormden op gereformeerde grondslag (G.G.) bestaan ze nog wel. De traditie om met kerst boekjes te geven, dateert van rond 1850. Tot nu toe verschenen er een kleine tienduizend titels! Circa tweeduizend auteurs schreven ze. Ruim achthonderd illustratoren werkten eraan mee.
Voor meer informatie over deze boekjes kunt u terecht bij de meer dan goede website: www.achterderug.nl. Behalve boeken bevat de site ook jeugdtijdschriften, Vrij en Blij bijvoorbeeld, dat ik blij was eindelijk terug te zien: het meisje met de rode haarstrik, de jongen met het hondje en de rood-witte letters op een - ja vooral die kleur - felgele achtergrond.

Voor een boeiend stuk kerkgeschiedenis en de historie van de zondagsschool is hoofdstuk 1 uit Gedenkboek ter gelegenheid van het 40-jarig bestaan van zondagsschool-vereniging Jachin door J.P. Tazelaar een absolute must. (zie www.dbnl.org).

Een bekende generatie zondagsschoolboekjes vormen de 'rooie ruggetjes' van voor de oorlog (lees ook de column in dit nummer). De kleur rood heeft betrekking op de rug van de boekband, -tje op het kleine formaat. De vier bekendste uitgevers waren: G.F. Callenbach, W.D. Meinema, J.N. Voorhoeve en Jan Haan. Volgens mij staan er ook 'groene ruggetjes' bij mij op de planken, of heeft rood de eigenschap tot groen te verkleuren?

Wat voor boekjes zijn het? In de eerste plaats evangelisatie-verhalen van gereformeerde en nederlands-hervormde strekking. Het woord God is op relatief veel bladzijden aanwezig. Ze zijn van beperkte omvang. De meeste tellen niet meer dan zestig pagina's. De oudere jeugd kreeg dikkere exemplaren. Ze zijn aantrekkelijk geïllustreerd, door o.a. Rein Stuurman, Rie Reinderhoff, Nans van Leeuwen, Adri Alindo, W.G. van de Hulst jr. Het gezin speelt in de boekjes een prominente rol. Afhankelijk van de uitgeverij zullen er verschillende accenten gelegd worden. De ene was nu eenmaal orthodoxer dan de andere.

Zonder hoofdstukken. Het besproken boekje kent geen hoofdstukken. Twee witregels geven de voortgang - en terugblikken - in de tijd aan, waardoor het één lang verhaal lijkt. De vertelde tijd is minstens tien jaar, het aantal bladzijden nog geen zestig. Een goede prediker zou het in één dienst kunnen vertellen en de EO zou er een goeie musical naar kunnen maken. Het script ligt al klaar. Voorwaarde daarbij is wel dat sommige uitspraken herschreven moeten worden. Wat moeten we bijvoorbeeld aan met de volgende? "God vond haar (Nelletje) zeker geschikt voor de hemel", peinsde moeder hardop, "Anders had Hij haar nog wel een poosje bij ons gelaten. Hoe jong ze ook nog was, toch zal ze haar taak hier beneden volbracht hebben."

Hoe leg je als ouders de dood van een zusje of broertje uit? Of als ouder de dood van vader of moeder? Het valt niet te ontkennen dat een dergelijk boekje dan een zekere handreiking kon zijn.

Zielige verhalen. 'Mijn jongen'. Zó noemde ir. Rosen zijn jonge talentvolle tekenaar Bert van Rees in de laatste zin op de laatste bladzijde. Hij zag Bert als zijn eigen zoon. Was hij kinderloos? Nee, zijn zoon was hem ontvallen. En daarbij bleef het niet, want wat een leed en droefenis in dit 'zielige boekje' van vierenvijftig bladzijden. Twee doden, George, enig kind van de familie Rosen, en Nelletje van Rees, het kleine zusje van Bert, een werkloze vader, een sombere aan z'n geloof twijfelende directeur en zijn zenuwzieke echtgenote, een alleenstaande oudere man, gevoegd bij de crisistijd van de jaren 30, maken de stemming er niet vrolijker op. Gelukkig is er een happy end. Vader en zoon Van Rees krijgen beiden werk dankzij de bemoeienis van meneer Rosen. Bert wordt zelfs architect en compagnon van zijn directeur. En dankzij Bert dwaalde meneer Rosen niet verder van zijn geloof af. Bert stond ook aan de basis van het plotse herstel van mevrouw Rosen en Bert's vrome moeder zorgde ervoor dat de eenzame grijsaard bij de Van Reesens in huis werd genomen.

Ziekte en dood in het gezin komen vaker voor in zondagsschoolboekjes. In Truus gaat naar huis bijvoorbeeld (ook van M.Veren), in Ergens in de wijde wereld (W.G. van de Hulst), Toen moeder er niet meer was (J.H. Huisman-Schippers) en Toen moeder ziek was (J.L.F. de Liefde).

Besluit. Al met al kan ik Bert, mijn jongen aanbevelen. Gewoon lezen, die zondagsschoolboekjes! De lezer moet wel, de neutrale althans, twaalf jaar zijn. Dertien is nog beter. Dan is hij met een jaar lang wekelijks een uurtje godsdienst in de brugklas beter voorbereid. De gereformeerde-grondslag lezer kan al vanaf zijn tiende aan de slag. Die moet gewend zijn aan de bijbelse toon. In 1937 werd Bert door twee zondagsschoolbonden warm aanbevolen, ondanks een paar kritische opmerkingen over het ware christelijke gehalte, dat mijns inziens toch erg hoog is.

Bram van IJperen
Jaargang 11, nummer 3, 2015