StOKpaardje

200 jaar Koninkrijk der Nederlanden - 200 jaar geschiedenis in oude kinderboeken (3)

De Caraïbische boeken van Miep Diekmann, gebaseerd op de tijd die ze in haar jeugd doorbracht in Curaçao, van haar 9e tot haar 13e jaar zijn: De boten van Brakkeput (1956), Padu is gek (1957) en Gewoon een straatje (1959) en spelen in de tijd dat Diekmann er zelf woonde, tussen 1934 en 1939.
Het eiland was toen niet meer de handelspost die het in de 18e en 19e eeuw was, met de afschuwelijke slavenhandel als onderdeel daarvan, maar werd vooral gedomineerd door oliemaatschappij Shell, waarvoor haar vader toentertijd werkte. Ook waren er natuurlijk nog de suiker- en maisplantages, waar vooral kleurlingen werkten. Miep Diekmann heeft het in haar boeken nog heel makkelijk over negers, zoals in de tijd dat ze haar boeken schreef, heel gebruikelijk was. In latere drukken heeft ze overigens haar taalgebruik aangepast.

In De boten van Brakkeput is de hoofdpersoon een blanke jongen, Matthijs, wiens vader een kleine plantage bezit, Brakkeput geheten. Ze zijn niet echt rijk, maar hebben toch inwonend personeel: Paulina, de huishoudster, die ook een deel van de opvoeding op zich neemt. Zoals veel eilandbewoners in die tijd is ze erg bijgelovig. Ook de vissers, die in het kleine haventje wonen hebben ontzag voor oude overleveringen en voortekens. Zo zou er op het eilandje Holle Tong in de baai iets niet pluis zijn. Daarom durft niemand daar te komen. Matthijs gelooft niet (helemaal) in de slechte naam van het eilandje en als hij op zijn verjaardag een eigen zeilbootje krijgt, vaart hij erheen en beschouwt het meteen als zijn eiland. Hij zet er een tentje op, waarin hij zijn huiswerk maakt.
Op een dag gaat het gerucht dat er vijf (politieke) gevangenen zijn ontsnapt. Vier worden er gevonden, maar de vijfde verschijnt op Holle Tong. Hij is uitgeput en ziek en spreekt nauwelijks Nederlands. Met een mengelmoesje van Spaans, Engels en Papiamento kunnen ze toch wel enigszins communiceren en Matthijs smokkelt elke dag flessen water, etenswaar, aspirine en sigaretten naar het eilandje.
De bewoners zeggen dat ze een zwarte vogel op Holle Tong hebben gezien, hetgeen onheil betekent! Maar de vluchteling knapt op en maakt duidelijk dat hij ervandoor wil met een van de vissersbootjes. Maar Matthijs brengt hem aan het verstand dat de gezinnen van mensen hier afhankelijk zijn van de visvangst en dat ze zonder boot geen inkomsten meer hebben. Na veel gepieker besluit hij dat de vreemdeling toch maar met zijn boot moet vluchten. Hij geeft hem ook de tent en het luchtbed. Nog één keer brengt hij 's avonds een zak vol proviand en dan gaat hij zwemmend terug naar huis. Niemand heeft iets gemerkt, maar de volgende dag is zijn boot weg! De vissers hebben het gezien. Weer is een scheepje bij de Holle Tong in het niets verdwenen.........

Gewoon een Straatje speelt ook op Curaçao, maar nu onder de 'gewone' bevolking.
Het is vakantie en de kinderen uit een straat in het oude gedeelte van Willemstad, de hoofdstad van Curaçao, vervelen zich. Gelukkig is er Luis, een jongen die ze wel vaak pesten omdat hij een bril met dikke glazen draagt en vaak struikelt, maar die ook heel mooi kan voorlezen en verhalen vertellen. Hij vertelt hoe kinderen uit een boek voorbijgangers foppen met een oude portemonnee aan een draadje. De kinderen vinden het een leuk plan om ook te doen. Ze leggen hun lokaas aan de andere kant van de weg om, zodra iemand zich bukt om de portemonnee op te rapen, vlug aan het draadje te trekken. De oude Marcia ziet de beurs liggen en wil hem oppakken als er net een vrachtauto voorbijkomt en hem meesleurt. Woedend is ze! Had niet Boeis, een oude buurtbewoner haar met Nieuwjaar geluk voorspeld? En nu was haar kans daarop vervlogen! Kwaad gaat ze naar het huis van Boeis en scheldt hem de huid vol. De kinderen staan voor het raam achter de gesloten luiken te luisteren. Boeis verzekert Marcia dat ze niet zo bijgelovig moet zijn en dat het zijn schuld niet is. Ze vinden dat vroeger alles beter was. En die jeugd van tegenwoordig! Een van de kinderen, Zaïda, vertelt dat er vroeger op Bonaire regels voor gastvrijheid bestonden om een vreemdeling gratis eten en drinken te geven. Ze besluiten om van hun eigen spaargeld iemand uit te nodigen. Boeis is de enige die in het plan van de kinderen gelooft, alle anderen die ze vragen, zijn achterdochtig. Maar de ouders van het meisje waar de maaltijd gegeven wordt, komen thuis en de kinderen krijgen op hun kop. Dan verschijnt Miralva, een jonge vrouw, die kind noch kraai heeft en daardoor geen kans op de huwelijksmarkt. Ze is daarom erg verdrietig en de kinderen besluiten haar wat op te vrolijken door haar 's avonds serenades te gaan brengen. Een van hen kent een romantisch liedje en met begeleiding van een geleende gitaar zingt hij dat vanuit een boom, die bij haar raam staat. Iedereen in de straat is stomverbaasd en als na een paar avonden de jongen wordt ontmaskerd, vertelt hij dat hij in opdracht van een man heeft gespeeld. Maar wie zou dat moeten zijn? Onverwacht meldt zich een man uit de buurt, die altijd al een oogje op Miralva heeft gehad en zelfs met haar wil trouwen. De kinderen spreken hem aan en eisen twintig gulden speelgeld. Ze krijgen het los en dat geld schuiven ze bij de oude Marcia onder het raam door. Nu gelooft ze weer in het geluk dat Boeis ooit voorspeld heeft.
De karakters van de kinderen komen duidelijk uit de verf; de een is verlegen, een ander verzorgend, en een pestkop en een slimmerik zorgen voor diversiteit. Ook sluimeren er prille romantische gevoelens. De tegenstelling tussen arm en rijk zit ook in het verhaal en het boek telt veel voorbeelden van bijgeloof en tradities. Het is door de levendige schrijfstijl zelfs nu nog heel goed leesbaar.

Het derde boek, Padu is gek, gaat over een arme jongen die door de andere kinderen gek gevonden wordt omdat hij vaak in gedachten is verzonken. Op het naambord van het dorp hebben ze met grote letters Padu is gek gekalkt. Padu durft het niet uit te vegen. Doordat hij veel nadenkt gelooft hij ook niet klakkeloos in alle vormen van bijgeloof die in zijn omgeving heersen. Zo ligt er op het strand een oud karkas van een schip, waarvan de bevolking denkt dat de verdronken bemanning daar nog rondspookt. Het is de enige plek waar hij rustig kan nadenken en tekeningen maken met stukjes koraal op de roestige scheepswand. Zijn ouders werken allebei in Suriname en hij wordt opgevoed door zijn grootouders. Hij is dol op hun twee ezeltjes, maar als hij een keer niet goed oplet, wordt het touw waarmee één van hen vast zit, doorgesneden en gaat het dier ervandoor. Prikkie, zijn grootste plaaggeest heeft het gedaan! Padu gaat op zoek naar de ezel en ontdekt dat de politie hem heeft gevonden en vasthoudt om te verkopen aan de eigenaar. Alleen, de grootouders hebben geen geld om het dier te kunnen vrijkopen. Op weg naar huis hoort hij gehuil van een baby en hij ontdekt het kindje van zijn buurvrouw, waar Maddalena, zijn buurmeisje, vaak op moet passen. Hij brengt de baby naar zijn schuilplaats en gaat op zoek naar Maddalena, die niet thuis lijkt te zijn; de deur is op slot. Hij zorgt de hele dag voor het kindje en dan ziet hij eindelijk Maddalena. Ze zit vol builen en schrammen en haar rok is helemaal gescheurd en vertelt dat Prikkie en zijn vrienden haar thuis hebben vastgebonden en opgesloten, omdat zij had gezien dat hij de ezel had losgemaakt. In een flinke vechtpartij geeft Padu Prikkie eindelijk een ongenadig pak slaag. De politie komt erbij en een aardige agent neemt hem mee in zijn zijspan. Hij vind Padu een flinke knul en neemt hem mee naar zijn huis, waar Padu het hele verhaal vertelt. Hij krijgt een nieuwe rok voor Maddalena van de vrouw van de agent. Het ezeltje mag hij voor niets naar huis meenemen. Als hij thuiskomt voelt hij zich trots en veegt de woorden Padu is gek van het naambord. Ook in dit boek speelt de mystiek van de tropen een rol en de ontwikkeling van het karakter van de opgroeiende hoofdpersoon.

Maria Hendrika Jozina Diekmann schreef ca. 70 kinderboeken, voor peuters, kleuters, kinderen en jong volwassenen en ontving de Staatsprijs voor Literatuur in 1970, in 1979 de Laurens Janszoon Costerprijs en in 2006 de Master of the BBC International Prize. Voor belangstellenden zijn er vijf video's op Internet: De Antillen in je bloed, Het Curaçao van Miep Diekmann, waarin de schrijfster zelf vertelt over haar jeugd op het Caraïbische eiland.

De illustraties in alle drie de boeken zijn verzorgd door Jenny Dalenoord (1918-2013), die op een geweldige manier de sfeer van het oude Curaçao heeft weten te treffen. Waarschijnlijk hebben haar jeugdjaren in Nederlands-Indië daartoe bijgedragen. Met enkele houtskoolstrepen schetst ze de blanke en gekleurde bevolking en hun omgeving. Voor haar illustratiewerk (ze illustreerde ca. 250 kinderboeken), ontving ze diverse prijzen, waaronder de ANWB-prijs en de Gouden en Zilveren Griffel.

Lot van den Akker
Jaargang 11, nummer 3, 2015